Tuesday, September 29, 2026

Voormannen van de Kroatische Katholieke Beweging over het belang van de Latijnse taal in de Kerk

 

Voormannen van de Kroatische Katholieke Beweging over het belang van de Latijnse taal in de Kerk

 




Het is bekend welke betekenis de Kroatische Katholieke Beweging in de eerste helft van de twintigste eeuw voor de Kerk in Kroatië heeft gehad. Veel van de gedachten die door vooraanstaande vertegenwoordigers van deze beweging naar voren zijn gebracht, zijn ook vandaag nog actueel.

Het is daarom interessant te bezien wat zij ons zeggen over het belang van de Latijnse taal in de Kerk.

Laten wij beginnen met de stichter van de Kroatische Katholieke Beweging, bisschop Antun Mahnić.

 

Over Mahnićs beheersing van de Latijnse taal

in het boek: I. Radić, Dr. Antun Mahnić, 1940, blz. 25.


Toen hij nog een jonge professor en redacteur was van het tijdschrift Folium Periodicum Archidieceseos Goritiensis van het aartsbisdom Gorizia, waarin hij talrijke artikelen in het Latijn schreef, stelde Mahnić in 1892 ook een prachtige lofrede op de Latijnse taal op (zie: I. Radić, Doktor Antun Mahnić, biskup krčki, 1940, uitgegeven door Dobra štampa, blz. 25).

“Lingua latina tot saeculorum usu sacrata, lingua sanctissimae religionis nostrae, lingua ferme omnium teologorum, lingua qua mater Ecclesia catholica utitur. Hac lingua auribus personante, non de terra sed de superioribus regionibus voces audiri videntur; etenim usui hominum jam diu subducta, aeternis religionis christianae servandis ac exprimendis veritatibus servit. Deo Sanctisque celebrandis adhibetur.”

(“De Latijnse taal, door het gebruik gedurende zovele eeuwen geheiligd, de taal van onze allerheiligste godsdienst, de taal van vrijwel alle theologen, de taal waarvan de moeder, de Katholieke Kerk, zich bedient. Wanneer deze taal in onze oren weerklinkt, lijkt het alsof men stemmen hoort, niet vanuit deze aarde, maar uit hogere gewesten. Want zij is reeds lang aan het dagelijks gebruik van de mensen onttrokken en dient om de eeuwige waarheden van de christelijke godsdienst te bewaren en uit te drukken. Zij wordt gebruikt om God en de heiligen te verheerlijken.”)

Wij weten dat Mahnić zich later, als bisschop van Krk, ook bekommerde om de kerkslavische (Oudkerkslavische) taal, die gedurende vele eeuwen in talrijke parochies van dat bisdom als liturgische taal werd gebruikt. Daarom richtte hij de Academie voor Oudkerkslavische Studies op, waarbij hij benadrukte dat het hier om een liturgische taal ging (en niet om een volkstaal):

“De Oudkerkslavische taal is een heilige taal, ook al is zij lang geleden gestorven. Zij is ons, evenals het Latijn, als een heilig erfgoed in de heilige riten gebleven. In deze taal wordt de heilige Mis opgedragen en worden de heilige Geheimen bediend. Het is een heilige taal. De priesters moeten haar, evenals het Latijn, volledig beheersen. En daarvoor is dat kleine beetje dat op sommige gymnasia wordt onderwezen niet voldoende; dat alles wordt gemakkelijk vergeten. Maar de priester moet de taal waarin hij de allerheiligste Geheimen van de godsdienst verricht, altijd in zijn geheugen bewaren, linguam in qua sanctissima religionis Mysteria obit, semper memoria tenere oporteat, ne orans sit velut aes sonans, aut cymbalum tinniens (I Kor. 13, 1).”

De eerste synode van het bisdom Krk benadrukt dat alle priesters zowel het Latijn als het Oudkerkslavisch volmaakt moeten beheersen:

“Alle priesters in het bisdom moeten beide liturgische talen volmaakt beheersen, opdat zij in beide talen de heilige Mis kunnen opdragen. Geen enkele jongeman zal tot de heilige wijdingen worden toegelaten, noch tot de diocesane clerus worden opgenomen, indien hij niet in beide talen examen heeft afgelegd.”

Zijn brieven aan de clerus van Krk schreef Mahnić steeds in het Latijn.

Wat betreft de kwestie van de taal in de liturgie kunnen wij de waardevolle gedachten van de zalige Ivan Merz niet onvermeld laten. Hij was van mening dat het Latijn niet toevallig de taal van de westerse liturgie was geworden (zoals sommige moderne liturgisten beweren), maar dat de Goddelijke Voorzienigheid aan de Latijnse taal een bijzondere rol had toebedeeld als universele taal van de Kerk. De zalige spreekt zich zeer duidelijk uit over de ongeschiktheid van de volkstalen voor de liturgie.

 



De zalige Ivan Merz schrijft namelijk in zijn artikel “Beschouwingen over het Romeins Missaal” uit 1922 (Verzamelde werken, deel I, blz. 135–136):

“Dit brengt ons uiteraard, geheel op theoretisch gebied, tot een zeer gevoelig probleem... Het betreft het probleem van de volkstalen in de katholieke liturgie. De opvattingen van de theologen lopen hierover uiteen. Aangezien dit een voor ons zeer belangrijke kwestie is, moeten wij haar eveneens theoretisch behandelen. Het genoemde Motu proprio van 22 november 1903 gaat uit van het standpunt dat de uitdrukking van de universele ideeën van één universeel (christelijk!) volk eveneens een universele taal moet zijn. (Eén geloof, één taal, één gezang.)

Bij de keuze van de taal moet men altijd rekening houden met de riten die op Gregoriaanse melodieën worden gezongen. Het is duidelijk dat het niet altijd gemakkelijk is een vertaling aan deze melodieën aan te passen, omdat juist deze muziek invloed heeft gehad op de samenstelling van de teksten. (Voor de Fransen is het bijvoorbeeld onmogelijk de volkstaal in te voeren, omdat hun metriek kwantitatief is en niet overeenkomt met het Latijn of met de onze.)

Vanuit theoretisch oogpunt lijkt de Latijnse liturgie die ideale graad te zijn waarnaar alle volkstalige liturgieën streven.

Het christelijke volk is over de gehele wereld slechts één volk, en de Latijnse taal is de volkstaal van alle christenen: van hen die vóór ons waren, van hen die nu leven en van hen die na ons zullen komen.

De volkstalige liturgieën zijn meer van tactische betekenis: zij zijn als een hefboom die de nationale elementen verheft tot de universele Romeinse wereld. (De nationale taal kan geen uitdrukking zijn van een bovennationaal geloof!) Het is derhalve waarschijnlijk niet juist het Grieks, het Oudkerkslavisch en de andere volkstalen op één lijn te stellen met het Latijn; veeleer moet het Latijn in het middelpunt worden geplaatst, waaromheen de volkstalen zich moeten groeperen.

Wij zullen onze stelling dat de Latijnse liturgie een hoger type is dan alle andere onderbouwen: niet alleen moet zij in het middelpunt worden geplaatst, maar wij moeten haar ook een bijzondere goddelijke zending toeschrijven.”

Wat betreft de vraag die voortdurend wordt gesteld — of het voor “gewone gelovigen” moeilijk is om Latijn te leren — wil ik uw aandacht vestigen op een interessant artikel uit het jaar 1927.

In het tijdschrift Luč, het orgaan van de Kroatische katholieke studentenbeweging, verscheen op 5 oktober 1927 (jaargang XXIII, nr. 1) een artikel met de titel “Voor school en leven: Het leren van de Latijnse taal”. Het artikel was ondertekend met de initialen “Lj. M.”. Ik neem aan dat het om Ljubomir Maraković gaat, aangezien hij de enige medewerker van Luč was die deze initialen droeg.

 


Het artikel begint met de volgende vaststelling:

“Vaak heb ik mij verbaasd over de geringe kennis van de Latijnse taal bij de huidige generatie scholieren. Ik ben geenszins die oude laudator temporis acti, maar telkens wanneer ik hierover nadenk, moet ik terugdenken aan tijden die nog niet eens zo ver achter ons liggen; tijden waarin men Ovidius in de vierde klas las en Livius in de vijfde, en men tegen het einde van de achtste klas een degelijke copia verborum en een vaste beheersing van de vormen had verworven om iedere klassieke schrijver te kunnen lezen. Hoezeer men het oude onderwijssysteem ook van dor formalisme heeft beschuldigd, juist hier toonde het veel meer psychologisch inzicht en een veel gelukkiger keuze: Ovidius is moeilijk, maar elegant; Livius is eveneens moeilijk en zelfs niet elegant, maar beiden zijn interessant — juist interessant voor de leeftijd van de vierde en vijfde klas, wanneer de verbeelding zich ontwikkelt en een verhaal, hetzij mythologisch, hetzij historisch, die verbeelding het meeste en het mooiste voedsel biedt.”

De auteur vertelt vervolgens over een zeer interessante ervaring uit zijn jeugd:

“Onlangs had ik na lange tijd weer eens een brief van Cicero in handen en ik huiverde bij die eindeloos aaneengeschakelde volzinnen en syntactische acrobatische toeren! Was het werkelijk mogelijk dat ik juist op deze gymnastiektoestellen van de geest de Latijnse taal had leren liefhebben en de vaardigheid had verworven waarmee ik nog steeds ieder Latijns boek lees?

Toen moest ik denken aan een voorval uit mijn — als ik mij niet vergis — zesde klas. In de tweede klas had ik als prijs een Latijns gebedenboek gekregen, Medulla pietatis christianae, en dat gebruikte ik voortdurend. Op een ochtend, in de zesde klas, vóór schooltijd, toen de klassenleraar eerder dan gewoonlijk in het lokaal was gekomen, zag hij tussen mijn boeken dat gebedenboek liggen. Mopperend pakte hij het op en begon mij sceptisch te vragen of ik het werkelijk begreep. Hij sloeg de Psalmen open en vond daarin een van de moeilijkste passages: ik vertaalde haar onmiddellijk, en wel zo goed dat mijn verslagen klassenleraar zich slechts omdraaide en, opnieuw mopperend, zijn geliefde snuifdoos tevoorschijn haalde.”

Op grond van deze gebeurtenis geeft de auteur andere Kroatische scholieren het volgende advies:

“En wanneer ik mij dit voorval herinner, is het mij duidelijk dat niet de dode goden van Hellas of de verdwenen redenaars van het Forum mij Latijn hebben geleerd, maar de levende Latijnse taal van de heerlijke poëzie van de Psalmen en de oude christelijke hymnen, de taal van de liturgie en de Kerk, de taal van de rijke Middeleeuwen, zo veelkleurig, zo verheven in haar christelijk wonderlijke diepgang en eenvoud! En ziehier mijn eenvoudige raad om de klassieke cultuur te verwerven: bid in het Latijn! Door het dagelijks gebruik van Latijnse gebeden en door de liturgie te volgen, zult u ongemerkt vooruitgaan in de kennis van de Latijnse taal; zij zal voor u levend en warm, gemakkelijk en begrijpelijk worden.

Het is weliswaar niet de klassieke taal van Cicero met al de kunstgrepen van de Romeinse welsprekendheid; maar zij zal u een overvloed aan woorden schenken, nauwkeurigheid in het lezen en die levende belangstelling die wij voor het leren van een taal nodig hebben, als wij niet willen dat onze taalkennis slechts bestaat uit losse fragmenten en levenloze brokstukken waaraan niemand een levende ziel kan inblazen. Zij zal voor u hele gebieden van de literatuur ontsluiten, ook buiten de gebedsteksten en liturgische boeken: de verheven werken van het Latijnse christendom, zoals die van de heilige Augustinus en Hiëronymus; het gehele gebied van de theologische, historische en vakwetenschappelijke literatuur; en die prachtige reeks christelijke ‘humanisten’, meesters van het geestelijke leven en de innerlijke blijmoedigheid, met onze grote Marcus Marulus aan het hoofd. Dan zult u zien hoeveel het waard is de Latijnse taal te kennen en hoe men haar zelfs kan gaan liefhebben zonder een klassiek filoloog te zijn, zoals ook degene die deze regels heeft geschreven dat niet is.”

Maar ik wil terugkomen op deze woorden uit het hierboven genoemde artikel:

“…maar telkens wanneer ik hierover nadenk, moet ik terugdenken aan tijden die nog niet eens zo ver achter ons liggen; tijden waarin men Ovidius in de vierde klas las en Livius in de vijfde, en men tegen het einde van de achtste klas een degelijke copia verborum en een vaste beheersing van de vormen had verworven om iedere klassieke schrijver te kunnen lezen.”

Met andere woorden: een schoolkind van ongeveer honderd jaar geleden beheerste het Latijn beter dan veel kardinalen en bisschoppen het tegenwoordig doen.

Onlangs verscheen het schokkende gegeven dat twee derde van de huidige kardinalen geen Latijn kent.

Dit is niet alleen een aanwijzing voor het verval van de theologische cultuur na het Tweede Vaticaans Concilie, maar ook voor een verval van de algemene cultuur.

Hieraan valt echter onmogelijk de vraag naar hun theologische bekwaamheid te ontlopen...

Want, van personen die hoge posities binnen de kerkelijke hiërarchie bekleden, mag toch worden verwacht dat zij een wat dieper inzicht hebben in de waarheden van het katholieke geloof. Maar hoe kunnen zij dat bezitten als zij nooit in het Latijnse origineel de sleutelwerken van de kerkelijke traditie hebben gelezen, zoals de werken van de heilige Ambrosius, de heilige Hiëronymus, de werken van de heilige Gregorius de Grote, de preken van de heilige Leo de Grote, de werken van de heilige Augustinus (De Trinitate, De gratia et libero arbitrio, De dono perseverantiae, enzovoort) en de overige Kerkvaders, en de grote theologen zoals de heilige Thomas van Aquino — evenals zijn commentatoren zoals Cajetanus, Johannes van de heilige Thomas, Billuart, Gonet en anderen —, de heilige Bonaventura, de heilige Laurentius van Brindisi, de heilige Robertus Bellarminus, de heilige Alfonsus de Liguori...?

Om nog maar te zwijgen over alle pauselijke documenten door de geschiedenis heen.

 



Kortom: wat kan iemand die geen Latijn kent eigenlijk weten van de katholieke theologie?

Een priester die geen Latijn kent, is als een joodse rabbijn die geen Hebreeuws kent, of een moslimimam die geen Arabisch kent. In die gemeenschappen zouden dergelijke personen als volkomen onbevoegd worden beschouwd voor de posities die zij bekleden. Beter gezegd: het zou hun nooit zijn toegestaan dergelijke posities te bekleden.

Iemand zal misschien zeggen dat een dorpspastoor zijn werk ook zonder een goede kennis van het Latijn kan verrichten... Goed, maar dat kunt u zeker niet zeggen van bisschoppen en kardinalen.

Als bisschoppen geen Latijn kennen, hoe zou vandaag dan überhaupt een algemeen kerkelijk concilie kunnen worden gehouden?

In welke taal zou dat moeten gebeuren? In het Italiaans? In het Frans? In het Engels? Kom nou toch... alstublieft... Is het werkelijk zover gekomen dat bisschoppen niet meer met elkaar kunnen communiceren in de universele taal van de Kerk, maar dat zij simultaanvertalingen van de tolk-vertalers nodig hebben? [v.o. Of de machines die tegenwoordig al het werk uit de handen van mensen proberen te overnemen, en ja, met grote dank aan diezelfde mensen die zichzelf daarom nog slim en wijs durven te vinden.]

Vroeger werd gezegd dat de Kerk door het aannemen van het universele Latijn de verdeeldheid had overwonnen die ooit onder de mensen was ontstaan door de spraakverwarring bij de bouw van de Toren van Babel. En zie nu: de mensen zijn opnieuw teruggekeerd naar de Babylonische verwarring.

Vergeet bovendien nooit dat veel belangrijke begrippen uit de katholieke theologie in de volkstalen geen adequate vertaling hebben. De katholieke theologie heeft zich gedurende vele eeuwen in de Latijnse taal ontwikkeld: haar sleutelbegrippen zijn met de Latijnse taal verbonden.

Daarom is de enige oplossing dat het Latijn aan de theologische faculteiten opnieuw wordt ingevoerd als de voornaamste taal van het onderwijs, van de handboeken, de examens, de scripties...

Nieuwe handboeken hoeven zelfs niet te worden geschreven. Het volstaat de handboeken terug te brengen die vóór het Tweede Vaticaans Concilie werden gebruikt.

 

Antemurale Christianitatis

In het hierboven genoemde artikel beschrijft Lj. M. hoe hij als kind het Latijnse gebedenboek Medulla pietatis christianae cadeau kreeg en dit voortdurend gebruikte. Een exemplaar van dit gebedenboek kunt u hier vinden.

 

No comments:

Post a Comment