De Rogatie-dagen (Dies
Rogationum)
De 25ste april, alsook de maandag, dinsdag en
woensdag vóór Hemelvaartsdag, staan bekend als de Rogatie-dagen. De
25ste april noemt men de Grote Rogatie (Rogatio Major), terwijl
de drie dagen vóór Hemelvaart — tezamen Rogatietijd — de Kleine
Rogaties (Rogationes Minores) vormen.
Het woord Rogatie is afgeleid van het
Latijnse rogare, dat betekent: smeken, vragen, bidden. Deze dagen
zijn boetedagen, waarin wij Gods barmhartigheid afsmeken, Zijn
rechtvaardige gramschap trachten te verzoenen, de kastijdingen af te wenden die
Hij door natuurrampen laat blijken, en Zijn zegen afvragen, in het bijzonder
over landbouw, tuinen en alle vruchten der aarde.
Zij zijn ingesteld om ons te herinneren hoe volkomen
afhankelijk wij zijn van God, ook door middel van Zijn schepping, en hoe
het gebed ons kan beschermen tegen de vaak harde en onverbiddelijke krachten
der natuur. Daarom is hun karakter ernstig, ingetogen en smekend; hun
liturgische kleur is paars.
De natuur en Gods Voorzienigheid
Vooral de moderne mens heeft de neiging de
natuur te idealiseren en te vergeten hoe machtig — ja, zelfs meedogenloos — zij
kan zijn. Men richt zich enkel op haar lieflijke aspecten — de schoonheid van
sneeuw, de geur van cederhout, de pracht der bloemen — zoals ook tijdens de Quatertemperdagen
(Quattuor Tempora).
Maar in een enkel ogenblik kan de dunne sluier
van beschaving, die wij hebben opgebouwd om de natuur te beheersen, worden
weggerukt.
As en vuur die neerdalen uit vulkanen;
watermassa’s die dijken doorbreken; kolossale vloedgolven die kuststreken en
dorpen verwoesten; meteoren die op aarde neerstorten; tornado’s en orkanen die
alles meesleuren; droogten, overstromingen en verwoestende branden; lawines van
steen en sneeuw; dodelijke ziekten en plagen; de aarde zelf die beeft en zich
opent onder onze voeten — dit alles behoort eveneens tot de schepping.
En hoewel de natuur grillig en willekeurig
schijnt, gebeurt niets buiten Gods Wil: hetzij door Zijn actieve, hetzij
door Zijn toelatende wil. In de Heilige Schrift gebruikt God de
elementen om te waarschuwen, te straffen, te vernederen en te onderrichten:
- de aarde
die de opstandigen verslindt
- de wind
die het huis van Job verwoest
- het vuur
dat neerdaalt op Sodom en Gomorra
- het water
dat de wereld zuivert ten tijde van Noë
(vgl. Numeri 16; Job 1; Genesis 19; Genesis 6)
Wij moeten daarom nederig zijn tegenover de
natuur, haar eerbiedigen, en beseffen dat wij haar niet mogen misbruiken noch
overschrijden wat ons is toegestaan. Maar bovenal moeten wij nederig zijn
tegenover haar Schepper, die haar bestaan en werking op elk ogenblik bestuurt.
Overweeg de ontzagwekkende woorden uit de
profeet Nahum (1,2–8):
De Heer is een na-ijverig God en een wreker;
de Heer is een wreker en vol gramschap.
De Heer neemt wraak op Zijn tegenstanders en bewaart toorn tegen Zijn vijanden.
De Heer is lankmoedig, maar groot van kracht, en Hij laat de schuldige
geenszins ongestraft.
Zijn weg is in storm en wervelwind, en de wolken zijn het stof van Zijn voeten…
Wie kan standhouden voor Zijn gramschap?
Wie kan de gloed van Zijn toorn weerstaan?
Zijn verontwaardiging stort zich uit als vuur, en de rotsen worden door Hem
verbrijzeld.
De Heer is goed, een toevlucht op de dag der benauwdheid, en Hij kent hen die
op Hem vertrouwen.
Maar met een overstromende vloed zal Hij een einde maken aan Zijn
tegenstanders.
De oorsprong der Rogatie-dagen
Het gedenken van deze waarheden, het smeken om
bescherming, en het doen van boete — opdat wij niet onder Gods vijanden
gerekend worden — vormt het wezen van de Rogatie-dagen.
De Grote Rogatie (Rogatio Major)
heeft haar oorsprong in Rome en werd ingesteld door Paus Gregory the Great na
een zware pestepidemie. Volgens de Legenda Aurea, geschreven door Jacobus
de Voragine (1275), werd deze plaag gezonden als straf voor moreel verval.
De Kleine Rogaties (Rogationes Minores)
vinden hun oorsprong in Gallië, waar de heilige Mamertus of Vienne ze instelde
na aardbevingen, branden en andere rampen. Uiteindelijk werden deze dagen door
Paus Leo III in Rome ingevoerd en over de gehele Kerk verbreid.
De heilige processies
De liturgie begint met de woorden uit Psalm
43:
“Exsurge, Domine, adiuva nos et redime nos propter nomen tuum.”
Daarop volgt de Litanie van alle Heiligen (Litaniae
Sanctorum), waarna een plechtige processie begint.
In vroegere tijden trok men vaak rond de
grenzen van de parochie (termini parochiae), om Gods bescherming af te
smeken. Deze processies werden gekenmerkt door
diepe devotie:
- het dragen
van het Kruis als vaandel van Christus’ overwinning
- het luiden
van klokken om de machten der duisternis te verjagen
- het aanroepen van alle heiligen
Zoals aardse koningen hun trompetten en
banieren hebben, zo heeft ook de hemelse Koning Zijn tekenen: het Kruis en
de klokken. De boze geesten vrezen deze tekenen en vluchten.
Getuigenis van de traditie
Volgens de Legenda Aurea werden in
sommige streken zelfs symbolische draken meegedragen, als teken van de duivel
die door Christus’ overwinning wordt overwonnen.
Prosper Guéranger beschrijft hoe deze
processies soms zes uur duurden. De gelovigen gingen blootsvoets, baden psalmen
en litanieën, en bezochten meerdere kerken.
Ook grote heiligen en vorsten namen eraan
deel:
- Charlemagne
liep blootsvoets in de processies
- Elizabeth
of Hungary verenigde zich met de armen
- Charles
Borromeo herstelde deze praktijk met vasten en strenge boete
Gebruiken (Consuetudines)
Naast de reeds vermelde boetedoeningen —
vasten, processies en het Heilig Misoffer — die alle gericht zijn op het verzoenen van Gods rechtvaardige gramschap en
het afwenden van Zijn kastijdingen, zijn
de Rogationes ook dagen waarop men in het
bijzonder bidt voor de landbouwers en zich bewust wordt van onze diepe
afhankelijkheid van hen.
Indien uw kinderen niet begrijpen waar voedsel
vandaan komt, onderricht hen daarin. Leg hun de keten van voorzienigheid uit,
opdat zij beseffen hoezeer onze dagelijkse voeding voortkomt uit zowel Goddelijke zegen als menselijke arbeid in elke schakel. Leer
hun dat voedsel zijn oorsprong vindt in God, vervolgens wordt voortgebracht
door landbouwers, verwerkt door arbeiders, bewaard door menselijke vinding
(koeling), vervoerd door hen die reizen over land, zee en lucht, en
uiteindelijk aangeboden wordt in de handel.
Zo wordt zichtbaar dat niets in ons leven autonoom is, maar alles afhankelijk blijft van
de Schepper.
Gebed voor de Rogatiedagen
O God, Bron en Gever van alle dingen, die Uw
oneindige majesteit, macht en goedheid openbaart in de aarde rondom ons, wij
brengen U eer en glorie. Voor zon en regen, voor de overvloedige vruchten der
velden, voor de vermeerdering van kudden en vee danken wij U. Voor de
verrijking van onze zielen met goddelijke genade zijn wij U dankbaar.
Wij smeken U: stort Uw zegen uit over onze
landbouwers, hun gezinnen, hun velden en hun vee; verleen hun alle genaden die
zij nodig hebben om trouwe rentmeesters van Uw schepping te zijn. Bescherm hen
— en ons — tegen overstromingen, droogte, branden, pestilentiën, hagel,
stormen, bliksem, ziekten en alle natuurlijke rampen. Bescherm ons eveneens
tegen de boosheid der mensen.
Dit vragen wij door den Naam van den Vader, en
den Zoon, en den Heiligen Geest, één God, in alle eeuwigheid. Amen.
Indien gij landbouwer zijt, laat uw hoeve
zegenen door uw priester; het Rituale Romanum
bevat rijke zegeningen voor alles — van zaaigoed tot stallen.
Overweging: De Macht der Natuur en de
Nederigheid van den Mens
Het is passend op deze dagen te mediteren over
de ontzagwekkende kracht der natuur. De moderne mens, omgeven door comfort en
techniek, is geneigd haar te verzachten
in zijn voorstelling en haar slechts te beschouwen in haar lieflijke gedaanten.
Doch dit is een gevaarlijke illusie.
Want dezelfde natuur die schoonheid schenkt,
kan ook verwoesten:
— vulkanisch vuur en as
— overstromingen en vloedgolven
— aardbevingen en stormen
— ziekten en plagen
— misoogsten en hongersnoden
Dit alles behoort evenzeer tot de geschapen
orde.
De Heilige Schrift leert ons dat dergelijke
gebeurtenissen niet blind zijn, maar onderworpen aan de goddelijke Voorzienigheid: soms als tuchtiging, soms als
waarschuwing, soms als oproep tot bekering.
Leer daarom uw kinderen dat de mens weliswaar
heerschappij heeft ontvangen over de schepping, doch nooit los van God. Waar deze waarheid vergeten wordt,
ontstaat hoogmoed — en hoogmoed leidt tot ondergang.
Historische en Morele Voorbeelden
Vertel hun over de grote rampen der
geschiedenis:
— Pompeii en Herculaneum
— de Zwarte Dood
— de brand van Londen (1666)
— de aardbevingen langs de New Madrid-breuk
— de uitbarsting van Krakatau (1883)
— de aardbeving van San Francisco (1906)
— de Spaanse griep (1918)
En ook over morele lessen:
— de Toren van Babel (Gen. 11)
— de hoogmoed van menselijke techniek zonder God
— de grenzen van wetenschap zonder nederigheid
Leer hun dat ware wijsheid niet ligt in beheersing zonder God, maar
in onderworpenheid aan Hem.
Lezing (Lectio)
Uit den Profeet Jeremias (10–11:1–6)
Hoort het woord dat de Heer over u gesproken heeft, huis van Israël!
Zo spreekt de Heer: Leert niet naar de wegen
der heidenen, en vreest niet voor de tekenen des hemels, die de heidenen
vrezen. Want de gebruiken der volken zijn ijdelheid: een boom wordt uit het
woud gehouwen door de hand van den werkman met de bijl. Men versiert hem met
zilver en goud, men bevestigt hem met nagels en hamers, opdat hij niet wankele.
Zij zijn als een vogelverschrikker in een komkommerveld, en spreken niet; zij
moeten gedragen worden, want zij kunnen niet gaan. Vreest hen dus niet, want
zij kunnen noch kwaad doen, noch goed.
Niemand is U gelijk, o Heer; groot zijt Gij,
en groot is Uw Naam in kracht. Wie zou U niet vrezen, o Koning der volkeren?
Want U komt de eer toe; onder alle wijzen der volkeren en in al hun
koninkrijken is er niemand U gelijk. Allen tezamen zijn zij dwaas en
onverstandig: hun ijdele leer is hout. Zilver, tot platen geslagen, wordt uit
Tharsis aangevoerd, en goud uit Ophaz; het is het werk van den kunstenaar en
van den handwerksman; purper en hyacint is hun kleed: het is alles het werk van
mensenhanden. Maar de Heer is waarachtig God: Hij is de levende God en de
eeuwige Koning; bij Zijn gramschap beeft de aarde, en de volkeren kunnen Zijn
dreiging niet verdragen.
Zo zult gij tot hen zeggen: De goden die hemel
en aarde niet gemaakt hebben, zullen verdwijnen van de aarde en van onder de
hemel. Hij is het, die de aarde gemaakt heeft door Zijn kracht, die de wereld
heeft gegrondvest door Zijn wijsheid, en door Zijn inzicht de hemelen heeft
uitgespannen. Op Zijn stem verheft zich een menigte wateren in de hemel; Hij
doet wolken opstijgen van het einde der aarde; Hij maakt bliksem voor den
regen, en brengt den wind voort uit Zijn schatkamers. Iedere mens wordt dwaas
door zijn kennis; elke kunstenaar staat beschaamd om zijn beeld, want zijn
gegoten beeld is leugen, en er is geen geest in hen. Zij zijn ijdelheid, een
belachelijk werk; ten tijde van hun bezoeking zullen zij vergaan.
Het deel van Jakob is niet zoals deze: want
Hij is de Schepper van alles, en Israël is de stam van Zijn erfdeel; de Heer
der heerscharen is Zijn Naam. Verzamel uw bagage uit het land, gij die woont in
belegering. Want zo spreekt de Heer: Zie, Ik zal de bewoners van het land
ditmaal ver weg slingeren, en hen benauwen, opdat zij gevonden worden. Wee mij
om mijn breuk, mijn wond is smartelijk! Maar ik zeide: Waarlijk, dit is mijn
kwaad, en ik zal het dragen. Mijn tent is verwoest, al mijn koorden zijn
gebroken; mijn kinderen zijn van mij weggegaan, en zij zijn er niet meer; er is
niemand meer die mijn tent opspant en mijn gordijnen opricht.
Want de herders hebben dwaas gehandeld en
hebben de Heer niet gezocht; daarom hebben zij geen inzicht gehad, en is heel
hun kudde verstrooid. Zie, het gerucht van een geluid komt, een grote beroering
uit het land van het noorden, om de steden van Juda tot een woestenij te maken,
een verblijfplaats van draken. Ik weet, o Heer, dat de weg van de mens niet in
zijn macht is; het is niet aan de mens die wandelt om zijn schreden te richten.
Kastijd mij, o Heer, maar met recht, niet in Uw toorn, opdat Gij mij niet
tenietdoet. Stort Uw gramschap uit over de volken die U niet kennen, en over de
geslachten die Uw Naam niet aanroepen; want zij hebben Jakob verslonden en hem
verteerd en zijn woonplaats verwoest.
Het woord dat van de Heer tot Jeremias kwam,
luidende: Hoort de woorden van dit verbond en spreekt tot de mannen van Juda en
tot de inwoners van Jeruzalem. En gij zult tot hen zeggen: Zo spreekt de Heer,
de God van Israël: Vervloekt is de man die niet hoort naar de woorden van dit
verbond, dat Ik uw vaderen geboden heb ten dage dat Ik hen uit het land van
Egypte leidde, uit de ijzeren oven, zeggende: Hoort Mijn stem en doet alles wat
Ik u gebied; dan zult gij Mijn volk zijn, en Ik zal uw God zijn, opdat Ik de
eed bevestige die Ik uw vaderen gezworen heb, hun een land te geven, vloeiende
van melk en honing, zoals het heden is. En ik antwoordde en zeide: Amen, o
Heer.
En de Heer sprak tot mij: Verkondig al deze
woorden in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem, zeggende: Hoort
de woorden van dit verbond en doet ze.*
Augustinus van Hippo – De
Civitate Dei, Boek XXII, Hoofdstuk 22
De heilige Augustinus beschrijft met
ongeëvenaarde scherpte de staat van de gevallen mens en de vele ellenden die
hem omringen:
Dat het gehele mensengeslacht in zijn
oorsprong veroordeeld is, daarvan getuigt dit leven zelf — indien het nog leven
genoemd mag worden — door de menigte van bittere ellenden waarmee het vervuld
is.
Wordt dit niet bewezen door de diepe en
vreselijke onwetendheid die alle dwalingen voortbrengt waarin de kinderen van
Adam verstrikt zijn, en waaruit niemand verlost wordt zonder moeite, pijn en
vrees? Wordt dit niet bewezen door de liefde tot zovele ijdele en schadelijke
dingen, die knagende zorgen, onrust, droefheid, angsten, wilde vreugden,
twisten, rechtszaken, oorlogen, verraad, toorn, haat, bedrog, vleierij, list,
diefstal, roof, trouweloosheid, hoogmoed, eerzucht, afgunst, moorden,
vadermoord, wreedheid, woestheid, slechtheid, weelde, overmoed, schaamteloosheid,
ontucht, overspel, bloedschande en ontelbare andere onreinheden voortbrengt,
die men nauwelijks durft te noemen?
Dit zijn weliswaar de misdaden der goddelozen,
maar zij ontspringen aan die wortel van dwaling en verkeerde liefde die met
iedere zoon van Adam geboren wordt.
Want wie ziet niet hoe de mens, reeds als
kind, met diepe onwetendheid en overvloedige dwaze begeerten in dit leven komt,
zodat hij, indien hij geheel aan zichzelf werd overgelaten, zich in alle of ten
minste in vele van deze boosheden zou storten?
Maar omdat God hen die Hij veroordeelt niet
geheel verlaat, en in Zijn toorn Zijn barmhartigheid niet opsluit, wordt het
mensengeslacht beteugeld door wet en onderricht, die de onwetendheid bestrijden
en de aanvallen der ondeugd weerstaan — al gaan zij gepaard met arbeid en
smart.
Want wat betekenen anders de vele straffen
waarmee men de dwaasheid der kinderen tracht te beteugelen? Waarom opvoeders,
meesters, roeden en tucht? Waarom al deze kastijdingen, indien niet om de
onwetendheid te overwinnen en de slechte begeerten te beteugelen waarmee wij
geboren worden?
En naast deze tuchtigingen der jeugd — zonder
welke geen onderricht mogelijk is — wie kan het aantal en de zwaarte
beschrijven van de rampen die het menselijk geslacht treffen?
Welke smart en angst ontstaan door verlies,
door rouw, door bedrog, door valse verdenkingen en door het kwaad van anderen!
Want van hen ondervinden wij roof, gevangenschap, boeien, ballingschap,
martelingen en ontelbare andere verschrikkingen.
En wat te zeggen van de gevaren die ons
lichaam bedreigen door hitte en koude, stormen, overstromingen, bliksem,
aardbevingen en instortingen?
Zelfs de dieren, de ziekten en de natuur zelf
keren zich tegen de mens.
Kortom, uit deze hel op aarde is geen
ontsnapping mogelijk, tenzij door de genade van de Verlosser, Christus, onze
Heer.
Want hoewel de heiligen troost vinden in dit
leven, worden tijdelijke goederen hun niet altijd geschonken, opdat de
godsdienst niet om tijdelijke voordelen zou worden beoefend, maar om het eeuwige
leven waarin geen kwaad bestaat.
Daarom ondersteunt de genade de rechtvaardigen
te midden van het lijden, zodat zij het kunnen dragen overeenkomstig hun
geloof.
En indien de ware wijsheid — die alleen
bescherming biedt tegen de ellenden van dit leven — slechts aan weinigen
geschonken is, dan blijkt daaruit voldoende dat het mensengeslacht onderworpen
is aan deze staat van ellende.
En aangezien dit de grootste gave Gods is,
moet men geloven dat zij alleen kan worden gegeven door Hem die boven alle
goden verheven is.*
Geestelijke Houding
Vorm in hen drie deugden:
- Nederigheid voor God
- Dankbaarheid voor Zijn gaven
- Eerbied en liefde voor de
schepping
Lees met hen en overweeg de Psalmen, vooral Psalm 103 en 104, waarin de grootheid van Gods werken bezongen wordt.
Slotbeschouwing
De Rogationes
herinneren ons eraan dat de mens niet leeft uit zichzelf, maar uit God.
Zij leren ons smeken, boete doen en vertrouwen
—
niet uit angst alleen, maar uit kinderlijke
afhankelijkheid van Hem die alles bestuurt.
Want uiteindelijk geldt:
“Nisi Dominus custodierit civitatem, frustra vigilat qui custodit
eam.”
(“Indien de
Heer de stad niet bewaart, vergeefs waakt de wachter.” – Ps. 126:1)
Voetnoten (Annotationes)
1. Zoals beschreven door Israel Shamir:
Op het hoogtepunt van de Grote Culturele Revolutie waagden de Chinezen zich aan
een grootschalig experiment: zij besloten alle vliegen uit te roeien. Door hun
massale inzet slaagden zij hierin. Aanvankelijk genoten zij van rustige zomers
zonder deze lastige insecten.
Maar spoedig bleek dat ook andere diersoorten verdwenen: adelaars werden
niet meer gezien, vissen stierven uit, en het ecologisch evenwicht stortte in.
Uiteindelijk begrepen zij hun fout en lieten de resterende populaties
herstellen.
2. Het verhaal van Frankenstein werd mede geïnspireerd door de
wetenschappelijke experimenten van
Luigi Galvani en
Alessandro Volta,
die onderzoek deden naar elektriciteit en haar werking op levende organismen (galvanisme). Deze studies werden voortgezet
door Giovanni Aldini, een tijdgenoot van Mary Shelley.
Bron