Lex Orandi, Lex Credendi, Lex Vivendi
Zoals wij bidden, zo geloven wij, zo leven wij
“Quod ergo generationes anteriores sacrum habuerunt, nobis quoque sacrum
manet et magnum.”
— Benedictus XVI, Summorum
Pontificum
Een strijd die méér is dan slechts liturgisch
Zolang katholieken zichzelf en de richting van hun denken niet dringend losmaken van het modernistische zelfmoordspoor, waarover zij in een razende trein onafwendbaar op de afgrond afstormen, zullen zij gevangen blijven in de betoverde kring van het modernisme. In die trein werden sinds de jaren zestig velen door modernistische conducteurs ingestapt — eerst door misleiding, daarna haast met geweld.
Datzelfde modernisme ondermijnt reeds tientallen jaren het katholieke ratio, het heilige fidei en het liturgische sensus. Want de grootste — zij het slechts tijdelijke — overwinning van het modernisme bestond niet enkel in een verandering van ritus, taal of uiterlijke vorm, maar in een verandering van het denken zelf van katholieken. En daarmee ook van hun geloof, en uiteindelijk van hun levenswijze.
Lex orandi, lex credendi, lex vivendi.
Katholieken werden geleidelijk aangeleerd om te twijfelen aan hun eigen duizendjarige Overlevering, zich te schamen voor hun liturgisch erfgoed en haast met vrees te spreken over de heilige Mis die eeuwenlang ontelbare heiligen, martelaren, missionarissen, religieuzen, koningen en vrome gelovigen heeft gevormd. Niet plotseling, niet door één rechtstreeks decreet, maar langzaam — zoals men een kikker kookt in water waarvan de temperatuur geleidelijk stijgt. Voor een tijd voelt de arme kikker zich er zelfs behaaglijk in.
Maar de vraag is eenvoudig:
Hoe zou iets dat eeuwenlang de gelovigen voedde, hun zielen heiligde en werkelijk heiligen voortbracht, plots schadelijk, ongewenst of zelfs verboden kunnen worden?
Op deze wezenlijke vraag heeft het modernisme nooit een overtuigend antwoord kunnen geven. Omdat het geen werkelijk samenhangend antwoord kán geven.
De heilige Mis aller tijden – Vetus Ordo
Wanneer men heden spreekt over de heilige liturgie van de Kerk, de Vetus Ordo Missae, dan moet allereerst worden benadrukt dat reeds de wijze waarop men erover spreekt vaak verkeerd wordt voorgesteld. Alsof het slechts ging om private nostalgie, esthetische voorkeur of een liturgische hobby van een bepaalde groep mensen. Maar hier gaat het niet om sentimentaliteit, doch om de continuïteit van de katholieke Overlevering. Die wij ook Traditie noemen, waaruit de bekende en volkomen logische uitdrukking “Traditionele Latijnse Mis” voortkomt.
De heilige paus Pius V heeft in de bul Quo Primum[1] geen nieuwe liturgie uitgevonden. Hij voerde geenszins een nieuwe ritus of een soort destijdse Novus Ordo in. Integendeel: na het Concilie van Trente codificeerde en beschermde hij de oude Romeinse ritus — de Vetus Ordo — die reeds eeuwenlang in de Kerk leefde. Een liturgische ritus die de Kerk dagelijks voedde, verdedigde en versterkte, en haar gelovigen telkens opnieuw opbouwde, verlichtte en heiligde.
Onder hen waren velen die juist dankzij deze heilige Mis aller tijden — en door het geloof dat zij onderwijst, alsook door de levenswijze die daaruit voortvloeit — uitgroeiden tot grote heiligen Gods, voorbeelden voor ons allen.
Lex orandi, lex credendi, lex vivendi.
Paus Pius V liet bovendien uitdrukkelijk het voortbestaan toe van alle legitieme riten ouder dan tweehonderd jaar. Daarom bleven onder andere behouden:
- de dominicaanse ritus, de kartuizer ritus, de karmelitaanse ritus, de ambrosiaanse ritus, de mozarabische ritus.
Zijn hervorming was geen revolutie, maar een codificatie, consolidatie en verdediging van de Traditie.
En juist dát begrijpt de moderne wereld — en helaas ook vele moderne gelovigen — niet meer: dat ware hervorming in de Kerk nooit vernietigt wat haar voorafging als heilig.
Numquam abrogatam
Een uiterst belangrijke bevestiging hiervan gaf Benedictus XVI, die duidelijk verklaarde dat de traditionele Romeinse ritus — de Vetus Ordo — juridisch nooit werd afgeschaft: numquam abrogatam.[2]
Zijn woorden klinken bijna als een waarschuwing aan de moderne mens:
“Quod ergo
generationes anteriores sacrum habuerunt, nobis quoque sacrum manet et magnum.”
— “Wat voor vorige generaties heilig
was, blijft ook voor ons heilig en groot.”
Is dit niet tevens een bevestiging van dat bekende adagium, dat men gerust een kort Credo kan noemen, en dat reeds in de titel van dit artikel in drie woorden bevestigt dat de Kerk van Christus het heilig geloof aan deze wereld overdraagt door middel van de Traditie — en niet doordat iedere nieuw aangestelde persoon het telkens opnieuw naar eigen inzicht anders zou moeten uitleggen?
Lex orandi, lex credendi, lex vivendi.
En juist hier ligt één der kernvragen van onze tijd.
Hoe is het mogelijk dat een priester verklaart de waarde niet te kennen van datgene wat eeuwenlang heiligen heeft gevormd? Hoe kan datgene wat voor zoveel generaties heilig was, heden een bron worden van ongemak, stilzwijgen of zelfs verborgen minachting?
De liturgische crisis — offer en begrip van het heilig Misoffer
De hedendaagse liturgische crisis is niet in de eerste plaats esthetisch, maar theologisch. De heilige Mis hing immers nooit af van het aantal aanwezigen, noch zelfs van menselijke aanwezigheid op zich, noch van de sfeer van de gemeenschap of pastorale “succesformules”.
De priester — de gewijde gezalfde Gods — die als enige in persona Christi kan handelen, is verplicht aan God de Vader het onbloedige Offer van de Zoon Gods op te dragen: als dankoffer, maar tevens als het welgevalligste gebed voor de bekering, redding en verlossing der wereld.
Daarom waarschuwt de heilige Paulus ernstig: “Itaque quicumque manducaverit panem hunc, vel biberit calicem Domini indigne, reus erit corporis et sanguinis Domini.”[3]
En vervolgens voegt hij er nog angstwekkender aan toe:
“Ideo inter vos multi infirmi et imbecilles, et dormiunt multi.”[4]
Met andere woorden: profanatie van het heilige was voor God nooit iets onbeduidends.
Dit is de wereld waarin wij ons bevinden als leden van de Strijdende Kerk. Een wereld die wij, op bevel van onze Heer Jezus Christus, Koning en Heerser van alles, moeten blijven evangeliseren op dezelfde wijze als de eerste leerlingen van Christus deden. Die leerlingen die hun Meester niet verrieden, maar trouw bleven en door Hem werden uitgezonden om overal ter wereld het Evangelie te verkondigen, opdat allen tot heilzame bekering zouden worden geroepen en gedoopt in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
Deus vult! — Gods wil!, en het is onze plicht Zijn wil te volbrengen zoals Gij die ons heeft opgedragen: overeenkomstig de Overlevering, traditioneel dus, hetgeen betekent: in overeenstemming met alle duidelijk geopenbaarde en door God gegeven geboden. Daarin ligt de ware kern van het verstaan van het heilig Misoffer. Vervolgens van het opdragen ervan, en van het bijwonen ervan. Onze Heer Jezus Christus heeft Zijn Kerk niet opgedragen enkel te prediken wanneer het ons gemakkelijk uitkomt, om vervolgens samen met heidenen en hun afgoden te bidden, zodra of zolang dit aantrekkelijker of veiliger ons zou lijken.
Wanneer het juiste besef van de heilige Mis, haar betekenis en haar uitwerkingen verloren gaat, verandert de liturgie in gewone bijeenkomsten, groepsperformances, gemeenschappelijke evenementen of antropocentrische rituelen.
Maar de heilige Mis is niet in de eerste plaats op de mens gericht, doch op God. Want God aanvaardt niet elk offer op gelijke wijze, noch is Hem iedere offergave welgevallig. Reeds de profeet Maleachi waarschuwde de priesters die het altaar des Heren ontwijdden: “Non est mihi voluntas in vobis, dicit Dominus exercituum: et munus non suscipiam de manu vestra.”[5]
God verwerpt derhalve het offer dat Hem onwaardig, achteloos of ontwijd wordt aangeboden. En waar het besef van het heilige verdwijnt, daar verdwijnt weldra ook de vreze Gods.
Zoals ook het eerste gebod op God betrekking heeft, en pas het tweede — voortvloeiend uit het eerste — op de mens en zijn naaste, zo hebben vele zielzorgers van onze tijd dit reeds bijna vergeten, of zelfs nooit werkelijk geleerd. Hun homilieën, die weliswaar uit de Decaloog voortkomen, beginnen immers bijna altijd pas bij het tweede gebod, waardoor zij volgens deze moderne geesteshouding systematisch nalaten God, de Schepper van alles, op de eerste plaats te stellen. Die plaats hebben zij zich immers zelf toegeëigend, en zij zijn zelfs bereid die te delen met anderen die aan henzelf gelijk zijn — schepselen, en niets meer dan schepselen van de Schepper.
God moet voor ons altijd op de eerste plaats staan, en God moet ons altijd het allerbelangrijkste zijn. Juist in tijden van tegenstellingen en conflicten is dat van wezenlijk belang: eerst God, daarna de mens. Want wie God niet op de eerste plaats stelt, wordt gemakkelijk door eender welke mens misleid. Daarom hebben vele traditionele katholieken reeds lang en terecht gewezen op de ernstige problemen die de invoering van de Novus Ordo-liturgie begeleidden, evenals op de minachting voor, en bijna zelfs het verbod van, de Traditionele heilige Mis. Deze nieuwe liturgische vorm, ontworpen gedurende en ingevoerd na het Tweede Vaticaans Concilie, bracht op revolutionaire wijze met zich mee:
de versus populum-mentaliteit, de banalisering van het heilige, onwaardige communie-uitreiking, onbeperkte improvisaties, de protestantisering van de liturgische sacrale spiritualiteit, en een algemene verzwakking van het gevoel voor sacraliteit tijdens zulke vieringen… (voeg zelf verder toe wat hier nog ontbreekt).
Het is daarom niet verwonderlijk dat vele gelovigen zich vandaag opnieuw afvragen of de profeet Maleachi niet reeds vooruit waarschuwde voor het gevaar van de ontwijding van het heilige: “Offerentes super altare meum panem pollutum…”[6]
Waar het besef van het heilige verdwijnt, verdwijnt spoedig ook de vreze Gods. Hier gaat het niet slechts om rubrieken, maar om de wezenlijke vraag: wat gelooft de katholiek van vandaag nog werkelijk dat de heilige Mis is?
Lex Orandi, Lex Credendi, Lex Vivendi
Dit oude katholieke adagium — persoonlijk ook mijn meest geliefde — leert dat de wijze waarop wij bidden bepaalt wat wij geloven, en dat wat wij geloven onze levenswijze vormt.
Daarom is het geen toeval dat juist daar waar de heilige liturgie verdwijnt:
- priester- en kloosterroepingen opdrogen,
- kerken en kloosters leeglopen en sluiten,
- het geloof verzwakt totdat het slechts folklore overblijft,
- en de katholieke identiteit vervliegt uit zowel het openbare leven als de harten der mensen.
Daartegenover trekt de traditionele liturgie nog steeds vele jongeren, bekeerlingen en gezinnen aan die zoeken naar transcendentie, ernst en een authentiek besef van het heilige. Vooral hen van wie het gestolen werd nog voordat ze er kennis over konden nemen. Laat staan dat ze ermee konden bidden, erdoor gevormd konden worden en ernaar konden leven.
Want de ziel van de mens is niet geschapen voor banaliteit.
In deze strijd voor de liturgische Overlevering neemt ook de Kroatische glagolitische traditie een bijzondere plaats in. Weinig volkeren binnen de Latijnse Kerk bezaten eeuwenlang het voorrecht de Romeinse ritus te vieren in het Oudkerkslavisch en met gebruik van het glagolitische schrift. Dit was geen afzonderlijke ritus, maar de Romeinse ritus uitgedrukt in Slavische taal en Kroatische geestelijke cultuur. Vooral in Istrië, Kvarner, Dalmatië, op Krk, Cres, Pag, in Senj en Zadar leefde deze traditie krachtig voort.
Het “Missale volgens de wet van het Romeinse hof” blijft niet alleen het eerste gedrukte Kroatische boek, maar ook een belangrijk symbool van de diepe verbondenheid van het Kroatische volk met Rome en het katholieke geloof.[ 7]
En toch is het een duidelijk en krachtig bewijs dat catholicos, ware katholieke universaliteit, nooit de assimilatie van de ziel van het volk betekende, maar veeleer de heiliging ervan en de vereniging met Christus' ene ware Kerk.
De Strijdende Kerk
Wij die Christus toebehoren mogen noch kleinmoedig noch bevreesd zijn. De Kerk van Christus is niet slechts een aardse instelling. De katholieke Kerk is geen menselijke constructie, maar goddelijk en bovennatuurlijk. Zij bestaat uit drie onafscheidelijke delen:
- de Strijdende Kerk (Ecclesia Militans),
- de Lijdende Kerk (Ecclesia Patiens),
- en de Triomferende Kerk (Ecclesia Triumphans).
Dat zijn: de aardse Kerk, het Vagevuur en de Hemel.
Terwijl de gelovigen hier op aarde strijden voor Christus, helpen de arme zielen in het Vagevuur, alsook alle engelen en heiligen in de Hemel, ons overvloedig in deze katholieke strijd.
Zonder hen kunnen wij niets. Maar mét hen kunnen wij alles.
Daarom mag geen enkele katholiek leven in een geest van angst, maar in een geest van bovennatuurlijke moed. Niet smeulen — maar branden. Branden van het heilig vuur ontstoken en gevoed door de Heilige Geest. Want indien God geeft dat wij juist kunnen bidden, helpt Gij ons ook juist te geloven en recht te leven. Daarom roepen wij met vreugde uit:
Deo volente, Deus vult, Deo gratias!
— voor alle genaden die ons zijn verleend waardoor wij in staat zijn te bidden, te geloven en het heilige katholieke geloof te leven. De strijd voor de ware heilige Mis is geen strijd voor de esthetiek van het verleden, maar voor de toekomst van de zielen. Voor eeuwigheid. Want wanneer onze sensus fidei verloren gaat, verdwijnt ook het besef van het heilige — en daarna spoedig het geloof zelf. Daarom moet de katholiek van heden opnieuw leren:
- katholiek te denken, katholiek te bidden, katholiek te leven.
Niet bevreesd voor de wereld, maar het kruis dragend. In Cruce victoria.
En daarom: met het kruis in de hand, met een standvastig geloof in het hart en met de blik steeds gericht op de Hemel, laat ons strijden voor Christus als ware zonen én onverschrokken strijders van Zijn heilige Katholieke en Apostolische Kerk.
Miles Christi et defensor Ecclesiae.
Veritas et Gratia,
Voetnoten
[1] Paus Pius V, Quo Primum Tempore, 1570.
[2] Benedictus XVI, begeleidende
brief bij Summorum
Pontificum 2007.
[3] 1 Korintiërs 11:27. — “Wie dus op onwaardige wijze het brood eet of de kelk
des Heren drinkt, bezondigt zich aan het Lichaam en Bloed des Heren.”
[4] 1 Korintiërs 11:30. — “Daarom zijn er onder u zoveel zwakken en zieken, en
zijn er zovelen ontslapen.”
[5] Maleachi 1:10. — “O, dat iemand van u de deuren maar sloot; dan zoudt gij
niet tevergeefs het vuur op mijn altaar ontsteken! Neen, Ik heb geen behagen in
u, spreekt Jahweh der heirscharen. geen lust in het offer uit uw handen.”
[6] Maleachi
1:7. — “Door op mijn altaar onreine spijzen te offeren!”
[7] Missale
Romanum Glagoliticum of “Misal po zakonu rimskoga dvora” (1483)
Omslagillustratie: traditionele katholieke voorstelling van de Drievoudige Kerk — digitaal gerestaureerd en aangepast voor dit artikel.

No comments:
Post a Comment